De Godsdienstoorlogen

Hendrik IV stelt door het edict van Nantes in 1598, voor het eerst in een groot Europees land de religieuze tolerantie in, de gewetensvrijheid. De belangrijke protestantse gemeenschappen van Occitanië ontvangen deze maatregel met grote opluchting.


Maar vanaf de vrede van Alès in 1629 heft Richelieu de politieke rechten van de protestanten op. De komst van Lodewijk XIV, die vreesde voor een samenwerking tussen de Franse protestanten en de protestante landen die hem vijandig gezind waren, ontkracht beetje bij beetje de inhoud van het edict van Nantes (vernieling van kerken, verplichting tot nachtelijke begrafenissen). Vanaf 1681 vaardigt hij de « dragonnades » uit, die de hervormden verplichtten om soldaten te huisvesten, met alles wat erbij hoorde. Het was de bedoeling om bekeringen uit te lokken door op die manier druk uit te oefenen. Al wie deze verplichting weigerde zag zijn bezittingen verbeurd verklaard. Er volgden inderdaad massale bekeringen. Maar de koning vond dit nog onvoldoende. In 1685 herroept hij het edict van Nantes, en bevestigt hiermee het verbod op samenkomsten om de eredienst te houden, de verbanning van de geestelijken, het dopen van de protestantse kinderen, het verbod om te emigreren op straffe van de galeien voor de mannen en levenslange opsluiting voor de vrouwen. Deze maatregelen resulteerden uiteraard in nieuwe bekeringen, maar brachten ook een clandestiene emigratie naar hervormde landen op gang.


AIGUES-MORTES – DE DRIE FAZEN VAN HET CONFLICT

De openbare preek, de arrestatie en opknoping van de priester Hélie Boisset in 1560 in Aigues-Mortes markeren zowel de symbolische vestiging van het calvinisme in deze streek, als de tegenstellingen die dat gedurende twee eeuwen met zich mee zal brengen. Het onderzoek van het fenomeen calvinisme en zijn gevolgen voor de streek die ons hier interesseert, leidt ons tot een eerste vaststelling. In Aigues-Mortes lijkt het conflict zich af te spelen in drie fazen.


De initiële faze (1560 – 1629) was zeker die van een oorlog met een religieus karakter, maar waarvan de inzet ook de zoutwinningen waren, die verdedigd werden door het Fort de Peccais. Onlusten en geweld kenmerken deze etappe tot aan de vrede van Alès, maar in een klimaat van een absolute trouw aan het katholicisme en de koning door het merendeel van de inwoners.


De periode die hierop volgt (1629 – 1685) ziet een definitieve herinstallatie van de Roomse leer. Tussen roomsgezinden en hugenoten ontstaat een geforceerde vorm van samenleven, die men van beide zijden acceptabel probeert te maken. Bijvoorbeeld geeft men aan de koninklijke brieven van Hendrik IV, die in 1601 de verkiesbaarheid van inwoners van beide religies toestaat (een recht toegekend door Damville vanaf 1575), in Aigues-Mortes niet zonder protest gevolg. De herroeping van het Edict van Nantes, voorafgegaan door de vernieling van de Tempel na een preek van priester Jacques Constantin kondigt de derde faze aan  (1685 – 1767). Deze eindigt met de vrijlating van de laatste vrouwelijke gevangenen van de Constancetoren door de prins van Beauvais. Aigues-Mortes diende als gevangenis-vesting waar de Staat in de persoon van de Intendant, «koning en tiran van de Languedoc», sinds 1686 «predikanten» en «geïnspireerden» opsloot die niet in aanmerking kwamen om terechtgesteld te worden of naar de galeien gestuurd te worden. De stad heeft nooit te lijden gehad van de beweging van de Camisards. Hun strooptochten overschreden nooit de aloude grens van de Carbonnieretoren.

 

VAN DE CAMISARDS TOT DE  PROTESTANTEN

Aigues-Mortes, dat onder katholiek gezag bleef tijdens de onlusten die volgden op het bloedbad van Vassy, krijgt het bezoek van de elfjarige toekomstige koning Hendrik IV, toen prins van Navarra, die Karel IX en Catharina de Medicis begeleidt. 


Maar na Sint- Bartholomeus ziet de stad op klaarlichte dag aan een van zijn poorten de Hugenoten verschijnen. Ze leggen er buskruit neer en laten haar in de lucht vliegen. Ze dringen de stad binnen en plunderen de kerken en kloosters. De katholieken vluchten in de Tour de la Reine.


De vrede van 14 mei 1576 wijst Aigues-Mortes aan als een van de acht veilige plaatsen die aan de calvinisten worden toegekend. 


De beide parijen zijn echter nog niet aan het stadium van een vredige samenleving toe, en de ruzies tussen de inwoners en het hugenotische garnizoen zijn veelvuldig. Vervolgens verzekeren de vrede van Bergerac en een koninklijk edict in 1597 de gereformeerden het bezit van de stad Aigues-Mortes, de Carbonnieretoren en het fort van Peccais. Een rustperiode stelt zich in 1619 in. Ondanks hun diepe onenigheid zweren katholieken en protestanten plechtig « niet meer te luisteren naar onruststokers  » en leggen een eed van trouw aan de koning af. Ondertussen wordt de Gouverneur de Bertichères, verdacht van samenzwering met de Spanjaarden, in 1598 door de koning afgezet en uitgewezen met de actieve steun van de inwoners. Hij wordt vervangen door Monsieur de Godin, maar probeert in 1610 zijn bestuur terug in handen te krijgen. Twee jaar later slaagt hij hierin, maar zijn voortdurende plagerijen die de bevolking moet ondergaan, leiden in 1614 weer tot zijn afzetting.


Een van zijn opvolgers, Gaspard de Coligny, graaf van Châtillon, vroeger hugenotisch gouverneur van Montpellier, profiteert van zijn mandaat (1617) en de wapenstilstand om in Aigues-Mortes het ganse arsenaal voor de steden Montpellier, Nîmes et Uzès op te slaan. Bij de hervatting van de vijandelijkheden is hij op 22 augustus klaar om het hoofd te bieden aan de belegering die door Lodewijk XIII persoonlijk bevolen wordt. Tegen alle verwachting in opent Chatillon, die zeker zijn geloof niet herroept, de stadspoorten en geeft zijn bestuur over. Hij ontvangt wel uit de handen van de koning een som van vijftigduizend pond en het ambt van Maarschalk. 


De onderwerping van Rohan in hetzelfde jaar en de vrede van Alès (1629) betekenen voor Aigues-Mortes, definitief katholiek, het einde van de periode van onlusten. De Roomse eredienst wordt hersteld, de kerkelijke goederen worden teruggegeven. Het klooster van de Cordeliers, verwoest in 1575, wordt in 1622 weer opgebouwd. Het Broederschap van de Witte Boetelingen wordt in 1623 gesticht. Een jaar later installeren de Capucijnen zich in Aigues-Mortes. De kapel van de Grijze Boetelingen, neergehaald door de mannen van Danville, herbouwd in 1607, krijgt in 1687 een retabel in gips, een werk van Jean Sabatier uit Montpellier, dat gewijd is aan de passie van Christus. Het lijkt erop dat gelijktijdig een grote bekeringscampagne ondernomen werd, zowel in Aigues-Mortes als in St Laurent d’Aigouze, maar de informatie hierover is te klein om conclusies te kunnen trekken.


XVIIe eeuw. Op 25 juli 1622 worden er als resultaat van een onderzoek geleid door Jacquet, de koninklijke rechter,  enkele hugenotische gevangenen in de vergeetput geworpen.
De herroeping van het Edict van Nantes, dat eigenlijk het einde van de veroordeelde ketterij moest zijn, verergerden vanaf 1685 op tragische wijze de vervolgingen tegen de protestanten.
De uitoefening van hun eredienst was voortaan verboden, hun dominees verbannen, de laatste tempels vernield, hun scholen opgeheven en de emigratie naar het buitenland, de laatste toevlucht voor hun geloof en hoop, werd verboden «op straffe van, zo bepaalde het herroepingsedict, de galeien voor de mannen en de confiscatie van lijf en goederen voor de vrouwen ».


Het werden al snel donkere en pijnlijke tijden waarin men bij nacht en ontij geheime bijeenkomsten ging houden. Bewogen door een onvermoeibare toewijding, alle gezag en verboden tartend, de folteringen van ijzer en vuur negerend, verzamelden mannen en vrouwen zich in de dalen en valeien, op het eind van bergwegen, in de stilte van de kastanjelaars of in het kreupelhout van de garrigues. Daar, in de Lage Languedoc, in de Cevennes en de Vivarais, in het hart van vergeten schuiloorden, in de woestenij, kwamen de opgejaagde hugenoten bijeen,  een kudde, beroofd van haar herders, om te bidden, hun psalmen te zingen, om het woord van hun predikers te horen – eeuwige dolers van grotten en bossen . Zo hielden ze de riten van hun geloof in ere.

 

EEN TOREN ALS GEVANGENIS

Gedurende vierentwintig jaar maakte de koninklijke macht de Constancetoren tot gevangenis voor de slachtoffers van de religieuze onverdraagzaamheid.


De toren was slechts een van die vele sinistere gevangenisssen van het koninkrijk. Maar zijn specifieke gebruik voor de opsluiting van de religionnairs, de strengheid van het regime die de gevangenen er kenden, en de geloofsovertuiging die zij  hier tegenover stelden, maakten al vlug de reputatie van de toren.


Met hoeveel waren zij, die met hun goederen, hun vrijheid of hun leven de prijs betaalden voor hun gehoorzaamheid aan de plichten van hun geloof ? Hun precieze aantal is niet gekend, want er is geen register bewaard gebleven.


De eerste jaren na de herroeping van het edict waren de Constancetoren en de Tour de la Reine, de grootste van de omwalling, een etappe op weg naar deportatie naar de Antillen of veroordeling tot de galeien. In 1686 waren er zestig tot tachtig gevangenen omwille van hun geloof  opgesloten, volhardende weerstanders van de Languedoc,  deelnemers aan verboden samenkomsten of  vluchtelingen opgepakt tijdens hun tocht in ballingschap.


Zestien stierven er, slachtoffer van een hard regime van ontberingen. Twee van hen werden opgehangen aan de galg. De lichamen van twee anderen werden naakt op een draagbaar rondgedragen en achtergelaten op de weg, overgeleverd aan de volkswoede. Ongetwijfeld waren zij hervallen, bekeerlingen die terug hun gereformeerde geloof aannamen, na tijdelijk overwonnen te zijn geweest door de vervolgingen waarvan zij het slachtoffer waren.


De bovenzaal van de Constancetoren, bevolkt door de mannen, was eerst gereserveerd voor de gevangenen van stand. In de benedenzaal, de ergste om in te leven, huisden lange tijd enkel vrouwen ; later bezetten ze ook de bovenzaal, of beide, wanneer hun aantal groeide. Uit deze gevangenis, die elk vluchtpoging nutteloos deed lijken, slaagden er toch enkelen in te ontsnappen. In 1691 probeerden er enkelen te vluchten, maar zij werden gegrepen op de grachtmuur. In 1694 ontsnapte Daniel Bas samen met twee Cevenols, door een gat in de muur.

 

XVIIIe EEUW. BESCHRIJVING VAN EEN ONTSNAPPING

In 1705 zouden er mannen opgesloten geweest zijn in de lage kerker.  De meest verrassende ontsnapping was die van een camisard-leider, Abraham Mazel, ontsnapt in 1705 na een krachttoer die beschreven werd door een van zijn vrienden, Elie Marion.


Mazel en zijn gezellen, opgesloten in de bovenzaal, hadden in het geheim een mes in de vorm van een zaag omgevormd en gesmeed in het houtvuur, tussen twee kannonballen. Hiermee zaagden zij de steen uit aan de basis van het schietgat aan de rechterkant van de deur. Zij blokkeerden een ijzeren staaf dwars voor de opening, waaraan zij een koord bevestigden, gemaakt van gevlochten stukken stof. Aan het andere uiteinde van het touw werd een stuk hout bevestigd.


Het was 24 juli, negen uur in de avond. Mazel daalt als eerste af, zestien van zijn dieëndertig metgezellen volgen hem. Maar dan ontstaat er paniek bij de achterblijvers, die beginnen te roepen. Er wordt alarm geslagen. De ontsnapten, over de muur gesprongen van de poel die de toren omringt, kunnen toch ontvluchten, geleid door een van hen die vroeger stieren hoedde in de buurt. Na deze ontsnapping werden er ijzeren grilles aangebracht voor de schietgaten. 


De oorlog van de Camisards – wanhoopsdaad van een vervolgd volk tegen de koninklijke troepen – begon in 1702 naar aanleiding van een vreemd fenomeen van collectieve en individuele hallucinaties en profetisme.


De gevoeligheid van de bewoners van de Vivarais en de Cevenne, opgedreven door de langdurig opgehoopte kwellingen leidde tot een mystieke toestand van hevige vervoering. De geïnspireerden, mannen en vrouwen zonder opleiding, vaak kinderen, predikten, deden voorspellingen, kloegen de afzweringen van geloof aan of riepen op tot vergiffenis en berouw. In de donkerste uren van de opstand ondersteunden ze het hugenotische volk en onderhielden ze hun bedreigde toewijding doorheen alle beproevingen.


De Camisards, met hun profeten(mannen en vrouwen) werden gedurende lange jaren de voornaamste slachtoffers, vastgezet in de toren. De toren van de koningin (Tour de la Reine) werd opnieuw in gebruik genomen en de Tour Saint Antoine werd eveneens ingericht als gevangenis.

 


DE PROTESTANTEN

De lange periode van 1685 tot 1715 wordt slechts door enkele getuigenissen belicht, maar behoort tot de donkerste in de geschiedenis van de gevangenen. Ze wordt gekenmerkt door veelvuldige doorsluizen van mannen en vrouwen die in de toren nog niet de jarenlange beproeving meemaken van degenen die hen zullen opvolgen in hun opsluiting. In 1708 duidt een veroordeling voor de eerste maal de Constancetoren aan als plaats voor de levenslange opsluiting van vrouwen ; vanaf 1715 wordt de toren exclusief aan hen toegewezen.


Veroordeeld tot « te worden geschoren en opgesloten in de Tour de Constance voor haar ganse leven ; haar huis afgebroken tot op de fundering ;  haar goederen in beslag genomen ten voordele van zijne Majesteit, na aftrek van het derde deel voor haar kinderen, als er zijn... ». Het arrest van het Gerechtshof van Nîmes, een koninklijke brief, het misbruik van een intendant of pure willekeur beslisten over het lot van de gelovige vrouwen en leidden hen naar de opsluiting waar ze hun verdere leven moesten slijten.


Deze vrouwen kwamen vaak uit het gewone volk, geboren in een povere en onvruchtbare streek; een arm volk maar ernstig, eerlijk en werkzaam, «met sterke en gezonde zeden » schrijft Michelet. Vanaf hun prille jeugd opgevoed door het onderricht genoten in de schaduw van de haard, zijn ze gehecht aan een geloof dat in huiselijke kring of in geheime bijeenkomsten onderhouden werd, door lezing van de Bijbel, het gebruik van het Psalmenboek of vrome boeken, bedreigde schatten, « arme getuigen, zegt Michelet nog, van de kwellingen van de religieuze vrijheid..., gezegend in naam van de sociale vrijheid ».


Vrouwen die trouw waren aan hun koning, maar die gerechtigheid eisten en de vrijheid om hun God te dienen. Echtgenotes, moeders, jonge meisjes die « een leven in schrik, hun hart altijd beklemd », op een dag brutaal van hun haard worden weggerukt. Zij kenden de terreur van de dragonnades. Ze beweenden een man, broer of zoon die levenslang op de galeien roeide, vastgeklonken aan de ketting, dag en nacht half naakt aan zijn bank gekluisterd, en die zelfs dood niet teruggebracht werd maar zonder genade overgeleverd werd aan de diepte van de zee. Ze beweenden de ontvoering van onschuldingen, hun ontnomen kinderen : de jongens naar de oorlog, de meisjes naar het klooster, in verbeteringsgestichten, opgesloten en beklagenswaardig. 


Toegewijde vrouwen, medeplichtigen van veroordeelden of gewoonweg gehuwd met verdachten of betrapt in de wildernis, veroordeeld omwille van « geloofsovertuiging,voor de misdaad van vergadering... zo tegengesteld aan de intenties en de dienst van zijne Majesteit ». Ze worden beroofd van alles, uitgesloten van elk burgerlijk bestaan, vergeten achter de muren. «Niets is wreder , schrijft Taine, dan deze totale leegte in dit pantser van naakte muren en de kilte van het grijze licht ».


Verschillende getuigenissen van hun levenscondities verhalen over de extreme eenvoud van hun cel, maar de gevangenen moesten ook de kwellingen van de koude wind trotseren, de muggen, malaria en koortsen, en een rudimentaire hygiene in deze zalen waar tussen de gezonde vrouwen ook zieken lagen en stierven. Het lijkt erop dat zij slechts gedurende een korte tijd het recht hadden om te wandelen in de gracht van de Toren of op de galerij die naar het kasteel leidt.


Als enig comfort beschikten ze over enkele banken, een houtvuur, hooimatrassen die op de grond lagen, en ruwe lakens en dekens. Ze waren officieel veroordeeld tot brood en hooi. Maar de majoor van het garnizoen had meermaals gebrek aan fondsen. De zestien gevangen vrouwen « hebben noch stro, noch matrassen, erkent hij in 1726, als gevolg van de vochtigheid die alles doet rotten ». Het brood van de Koning werd verstrekt a rato van anderhalf pond per dag door de bakker van de stad die regelmatig een lijst maakte van de gevangenen. Hij liet ons hiermee een kostbaar rekeningenboek na.


« Wij hebben een extreme nood aan hulp van onze broeders », schrijft in 1740 een van hen, Marie Durand. In 1755 rapporteert ze « de vreselijke kwelling van deze winter... Wij zaten zonder enige proviand, behalve een beetje groen hout. Het enige dat we hadden was een beetje sneeuw op ons terras, we kregen van niemand enige hulp ».


Sommige gevangenen konden contact leggen met de buitenwereld en vanaf 1730 kon men correspondentie voeren en bezoekers ontvangen. Ofwel door medeplichtigheid of toestemming van de majoor kwam er hulp tot bij hen, hetzij van hun familieleden, hetzij van getrouwen van hun kerkgemeenschappen, wanneer deze weer opgebouwd waren in de illegaliteit. Maar de beproevingen die zij moesten ondergaan beknotten hun vrijgevigheid, zoniet hun bereidwilligheid : getroffen door boetes, gepest, voortdurend achtervolgd, werden de protestanten tot miserie gedreven.


Door de totale ontbering kregen de karige giften voor de gevangenen echter een enorme waarde : kleine voorwerpen, kleren of etenswaren, hoe klein ook. En ook al kwam het slechts met mondjesmaat !


Hulp kwam er ook van hun geloofsgenoten in ballingschap, meer bepaald uit Zwitserland en Holland. Zij verleenden buiten hun financiële hulp ook morele steun, wat misschien nog belangrijker was. Maar de hulp kwam zo onregelmatig dat de vrouwen zich zo geïsoleerd voelden dat het een foltering leek : « dat is wat onze gevangenschap nog veel zwaarder maakt, schreef Marie Durand... Wij zijn verlaten door degenen die ons het meeste steun zouden moeten geven».


Het aantal gevangenen varieert, afhankelijk van de periodes van harde vervolgingen of meer tolerantie. Zij zijn met 28 in 1730, 31 in 1740 en 38 – het grootste aantal – in 1742. In totaal 91 tussen 1718 en 1768. In 1745 werden er nog twee torens van de vesting ingericht met twintig bedden, de tour de la Mèche en tour de Villeneuve. 


Vanaf 1705 deed de tour Saint Antoine dienst als gevangenis.


Er zitten gevangenen van alle rang en stand, en van alle leeftijden. Espérance Durand sterft er in 1745 op de leeftijd van 86 jaar. Meerdere kinderen worden er geboren. Catherine Goutès, een kind van enkele maanden oud, binnengekomen met haar moeder in juni 1742, wordt pas in 1758 vrijgelaten op zeventienjarige leeftijd. In 1754 sterft Isabeau Sautel, verlamd sinds haar negende, en gevangen sinds 1731.


In 1744, sterven er acht vrouwen, als gevolg van de dodelijkste epidemie die de stad ooit kende. Vaker dan de zeldzame genademaatregelen was het de dood die hen bevrijdde, soms ook het afzweren van hun geloof. De verzoeken aan de koning, de ministers of de gouverneur blijven gewoonlijk zonder gevolg.
De gevangenen waren vrij om hun geloof te belijden in de gevangenis. Zij die terugkeerden tot het katholieke geloof moesten een lange proefperiode ondergaan en veel toewijding tonen vooraleer ze vrijgelaten werden. Van 1740 tot 1743, een periode van grote morele crisis, zijn er zeven vrouwen die hun geloof afzweren ; het waren de laatste die dat deden.


MARIE DURAND

Marie Durand was iemand die onverzettelijk was. Zij belichaamt in haar eentje het overdachte verzet en de triomferende gelatenheid van de gevangenen.


Ze werd geboren in het gehucht Bouchet de Pranles, in de buurt van Privas, in de Vivarais. Ze was opgegroeid in het hart van deze ruwe streek, in de verscheurende angst van een volk van martelaren.


Haar vader was gearresteerd in 1729. Haar broer, een eminent vreedzaam prediker in de wildernis, opgehangen in 1732, had zulk een autoriteit gekregen dat Marie in 1730 gearresteerd werd, op de leeftijd van vijftien jaar. « Alleen al de naam van dit meisje, schrijft de intendant van de provincie, eiste dat we er een voorbeeld mee stelden ». Ze wordt pas in 1768 vrijgelaten.


Een constant voorbeeld van godsvrucht, van energie en onvermoeibare toewijding, was ze in de gevangenis de inspiratiebron van het verzet. Altijd gebogen over de miserie van haar lotgenoten, enkel om hulp vragend om hun lot te verbeteren, was zij de tolk van hun hoop en verwachtingen. Zij sprak de twijfelaars moed in, herinnerde hen aan de zin van hun strijd, bewust doordrongen van hun rechten op gerechtigheid en vrijheid, tegenover tirannie en onverdraagzaamheid.


Haar prestige is zo groot dat de overlevering haar – terecht of onterecht, niemand kan het zeggen -  aanwijst als auteur van de inscriptie van het woord REGISTER. De fonetische vertaling van dialect van de Vivarais rechtvaardigt overigens niet de veranderde schrijfwijze.
De laatste vrouw, Jeanne Darbon, komt in 1761 binnen. Ondanks de evolutie naar een meer verlichte opinie, zorgt de koppigheid van de minister van staat Florentin ervoor dat de vrouwen slecht traagjes vrijgelaten worden. Hun beproeving leidde tot een toenemend medelijden. Functionarissen, leken, Cordeliersbroeders betoonden hen een steeds groeiende en actieve sympathie. Wanneer de genademaatregelen zich aftekenen, kennen ze, met het vooruitzicht op hun vrijlating, afwisselend hoop en teleurstelling.


Dankzij de inspanningen van Fitz-Jammes, commandant van de provincie, en de onafgebroken interventies van de prins van Beauvais, die de staten van de Languedoc voorzat, worden de vrouwen « die bijna allemaal in slechte gezondheid verkeren », beetje bij beetje vrijgelaten. In 1766 waren er nog veertien opgesloten. Twee jaar later nog zes. En op 27 december 1768 gaan de deuren open voor de twee laatste gevangenen, Marie Roux en Suzanne Pagès, na 23 en 27 jaar opsluiting.


Vanaf toen is de Toren het symbool van waarden die niet door geweld vernield kunnen worden.


De voorbeeldige trouw van deze vrouwen is vergelijkbaar met de heldenmoed van al degenen die vandaag, overal ter wereld, met hun lijden, met opoffering van hun vrijheid of hun leven nog steeds de eindeloze strijd voeren voor de verdediging van, en het respect voor de rechten van de mens.


Marie Durand heeft gedurende 38 jaar de gevangenschap van haar lotgenoten ondersteund. Anne Gaussent stierf in gevangenschap in 1763, op 85 jaar, na 40 jaar opsluiting. Marie Robert bleef er 41 jaar opgesloten.