De revolutie
DE REVOLUTIE
De dageraad van de Franse Revolutie wordt met enthousiasme onthaald door de bevolking van Aigues-Mortes.
De inwoners vormen volksverenigingen, comités voor veiligheid, revolutionaire clubs van sans-culotten en weldra gebeuren er, opgehitst door de hevigheid van de politieke passies, spijtige zaken in de stad, waarvan sommige op tragische wijze eindigen.
De inwoners vergaderen regelmatig om te discussiëren over ernstige vragen die de gemeenschap aangaan, om te protesteren tegen de afpersingen en misbruiken waarvan ze het slachtoffer zijn uit hoofde van de belastingsontvanger, de officieren en de gouverneur van de stad of de intendant van de provincie.
Op de vooravond van de Franse Revolutie, op 30 november 1788, roept de eerste Consul Esparron een algemene vergadering samen die een grote weerklank vindt in de stad en haar omgeving. Esparron toont aan dat Aigues-Mortes niet mag ontbreken in de nationale vertegenwoordiging waarvan men de spoedige oprichting verwachtte. Enkele dagen later duidt een nieuwe volksvergadering de afgevaardigden aan die Aigues-Mortes moeten vertegenwoordigen op de plenaire vergadering van het diocees op 29 december 1788 in Nîmes. Op 27 december 1788 proclameert Lodewijk XVI op vraag van Necker de samenroeping van de Staten-Generaal, samengesteld uit drie standen : de adel, de clerus en de derde stand. Er wordt een dubbele vertegenwoordiging van de derde stand voorzien ten opzichte van de bevoorrechte standen. Het was de realisatie van de wensen die door Esparron geuit werden.
De bestorming van de Bastille wordt met vreugde onthaald door de bevolking. Maar spoedig doen er alarmerende berichten de ronde. Het gerucht verspreidt zich dat gewetenloze kerels en gewapende bendes door de streek trekken, die alles op hun weg vernielen.
De wet van 17 december 1789 die de gemeenten reorganiseert, vervangt de Consuls door een burgemeester en vijf gemeentelijke officieren, die gekozen worden door de actieve burgers. In Aigues-Mortes worden ze op 2 februari 1790 verkozen.
Bij het uitbreken van de Franse Revolutie is de gehele bevolking van Aigues-Mortes katholiek. Wanneer op 27 november het decreet van de Nationale Vergadering verschijnt dat de burgerlijke status van de clerus uitroept, zien de inwoners van Aigues-Mortes (sterk gehecht aan hun religieuze overtuiging) hierin een bedreiging van hun oude tradities.
De weerspannige priesters en broeders moesten emigreren vermits het decreet van 27 november 1790 alle religieuze ordes had opgeheven. Op 14, 18 en 24 september 1792 schepen meer dan 100 geestelijken in Aigues-Mortes in. Alle kruisbeelden op het grondgebied worden neergehaald en in naam van de ganse Commune beslist men om voor altijd de vroegere culte af te zweren. De parochiekerk die eerst tot kazerne omgevormd werd, wordt veranderd tot decadaire tempel. De kapel van de Witte Paters wordt de zetel van het genootschap van de « sans-culotten ». Die van de Grijze Paters wordt een voorraadmagazijn voor de cavalerie van het garnizoen. Dankzij het intelligente initiatief van de burger Jean Sol, die bewaker en verdeler van de voorraden was, kon het fameuze retabel van de kapel gered worden. Het betreft het meesterwerk van de beeldhouwer Sabatier dat uit de zeventiende eeuw dateert.
Enige tijd later wordt de godsdienstvrijheid hersteld, de kerken teruggegeven aan de gelovigen en de religieuze vrede verzekerd. Ongelukkig genoeg heeft het merendeel van de bevolking geen werk en geen eten. De bevoorrading met graan of meel wordt van dag tot dag moeilijker. Regelmatig breken er overdag of ‘s nachts onlusten uit. Wanneer op 14 juli Marat vermoord wordt, veranderen de revolutionairen van Aigues-Mortes hun naam van patriotten in die van « Maratistes ». Op 28 frimaire (in de nieuwe maandaanduiding) nodigt het genootschap van de sans-culotten de burgers op om verraders aan te geven die samengezworen hebben tegen de vrijheid en de gelijkheid. Het comité van Toezicht zetelt onafgebroken om de beschuldigden te berechten. De geest van wraak krijgt de vrije loop en burgers die elkaar ook maar een kleinigheid te verwijten hebben, maken er gretig gebruik van. De terreur is aan de orde van de dag. Beschuldigingen zijn er in overvloed.
De verdachten, eens gearresteerd, worden na een kort verblijf in de Constancetoren overgebracht naar de gevangenis van de Capucijnen in Nîmes. De terechtstelling van Robespierre zet tenslotte een punt achter het regime van de Terreur.
In de achttiende eeuw beginnen de buitenwijken zich te ontwikkelen in de vorm van rieten cabanes, en deze uitbreiding heeft een leegloop van het stadscentrum tot gevolg. In deze periode daalt het aantal inwoners binnen de muren tot een minimum. De bevoorrading met drinkbaar water wordt verzekerd door de citernen van de Constancetoren, de Capucijnen, de Cordeliers, het hospitaal en het huis van de Koning, maar veel woningen beschikken over hun eigen waterput.
De nieuw verkozenen benoemden op hun beurt een « clavaire » of schatmeester, riepen voor gemeentelijke beslissingen een politieke raad bijeen waarvan zij de leden kozen, riepen de militie op, benoemden de officieren die over de bezittingen van de inwoners waakten, bepaalden de lokale belastingen (zij hadden het recht om de goederen in beslag te nemen van al wie weigerde zijn belasting te betalen) en stelden aan de koning de consulaire agenten voor die belast waren om in de buitenlandse havens de belangen van de stad te verdedigen.
De consuls werden voor de duur van een jaar benoemd. Zij zwoeren trouw aan de koning bij hun indiensttreding. Principieel stelde het volk zich tevreden, zoals eertijds bij de Romeinen, om de verkozenen te bejubelen op de marktplaats, zonder hen echter te verkiezen. Spoedig gebeurde de verkiezing binnen de politieke raad, die een permanent karakter kreeg.
Tijdens de godsdienstoorlogen benoemde de gouverneur op eigen gezag de consuls. Wanneer uit welwillendheid toch eens de politieke raad een kandidaat mocht voordragen, droeg men er zorg voor om vooral een kandidaat naar voren te schuiven waarvan men wist dat hij in de smaak zou vallen bij de gouverneur.
Een arrest van het parlement van Toulouse uit 1765 regelt de aanstelling van consuls, die tot dan willekeurig verliep. Men verdeelde de maatschappij zodanig in klassen dat de belangen van iedereen vertegenwoordigd werden.
De eerste consul werd gekozen onder de officieren van justitie, edelen, dokters, advocaten, notabelen, en wachters van de zoutwinningen van Peccais.
De tweede consul werd gekozen onder de chirurgen, apothekers, de bourgeois van tweede orde en de belangijkste handelaars.
De derde consul werd gekozen uit de handelaars, opkopers, bakkers, slotenmakers, kleermakers en hoteliers.
De vierde uit de voermannen, vissers, arbeiders en werklieden.
Filips de Stoute behield voor zichzelf het recht over de politie van de stad. In feite oefenden de consuls dit recht uit. In 1633, toen een speciaal edict in Frankrijk politiekantoren creëerde, protesteerden de inwoners en verkregen het recht om hun oude privileges te behouden mits betaling van de som van 13000 ponden van Tours aan de staatskas.
Onder de regering van Lodewijk XIV verscheen er in augustus 1692 een ander edict dat burgemeesters voor het leven benoemde. In Aigues-Mortes werd Michel Jacquet burgemeester van de stad door betaling van 7700 pond. Meerdere steden in het zuiden, waaronder Aigues-Mortes, kochten dit ambt af. Wij weten bijvoorbeeld uit goede bron dat in 1777 de consuls werden aangeduid door de lieden die de stadszaken behartigden.
De inwoners vormen volksverenigingen, comités voor veiligheid, revolutionaire clubs van sans-culotten en weldra gebeuren er, opgehitst door de hevigheid van de politieke passies, spijtige zaken in de stad, waarvan sommige op tragische wijze eindigen.
De inwoners vergaderen regelmatig om te discussiëren over ernstige vragen die de gemeenschap aangaan, om te protesteren tegen de afpersingen en misbruiken waarvan ze het slachtoffer zijn uit hoofde van de belastingsontvanger, de officieren en de gouverneur van de stad of de intendant van de provincie.
Op de vooravond van de Franse Revolutie, op 30 november 1788, roept de eerste Consul Esparron een algemene vergadering samen die een grote weerklank vindt in de stad en haar omgeving. Esparron toont aan dat Aigues-Mortes niet mag ontbreken in de nationale vertegenwoordiging waarvan men de spoedige oprichting verwachtte. Enkele dagen later duidt een nieuwe volksvergadering de afgevaardigden aan die Aigues-Mortes moeten vertegenwoordigen op de plenaire vergadering van het diocees op 29 december 1788 in Nîmes. Op 27 december 1788 proclameert Lodewijk XVI op vraag van Necker de samenroeping van de Staten-Generaal, samengesteld uit drie standen : de adel, de clerus en de derde stand. Er wordt een dubbele vertegenwoordiging van de derde stand voorzien ten opzichte van de bevoorrechte standen. Het was de realisatie van de wensen die door Esparron geuit werden.
De bestorming van de Bastille wordt met vreugde onthaald door de bevolking. Maar spoedig doen er alarmerende berichten de ronde. Het gerucht verspreidt zich dat gewetenloze kerels en gewapende bendes door de streek trekken, die alles op hun weg vernielen.
De wet van 17 december 1789 die de gemeenten reorganiseert, vervangt de Consuls door een burgemeester en vijf gemeentelijke officieren, die gekozen worden door de actieve burgers. In Aigues-Mortes worden ze op 2 februari 1790 verkozen.
Bij het uitbreken van de Franse Revolutie is de gehele bevolking van Aigues-Mortes katholiek. Wanneer op 27 november het decreet van de Nationale Vergadering verschijnt dat de burgerlijke status van de clerus uitroept, zien de inwoners van Aigues-Mortes (sterk gehecht aan hun religieuze overtuiging) hierin een bedreiging van hun oude tradities.
De weerspannige priesters en broeders moesten emigreren vermits het decreet van 27 november 1790 alle religieuze ordes had opgeheven. Op 14, 18 en 24 september 1792 schepen meer dan 100 geestelijken in Aigues-Mortes in. Alle kruisbeelden op het grondgebied worden neergehaald en in naam van de ganse Commune beslist men om voor altijd de vroegere culte af te zweren. De parochiekerk die eerst tot kazerne omgevormd werd, wordt veranderd tot decadaire tempel. De kapel van de Witte Paters wordt de zetel van het genootschap van de « sans-culotten ». Die van de Grijze Paters wordt een voorraadmagazijn voor de cavalerie van het garnizoen. Dankzij het intelligente initiatief van de burger Jean Sol, die bewaker en verdeler van de voorraden was, kon het fameuze retabel van de kapel gered worden. Het betreft het meesterwerk van de beeldhouwer Sabatier dat uit de zeventiende eeuw dateert.
Enige tijd later wordt de godsdienstvrijheid hersteld, de kerken teruggegeven aan de gelovigen en de religieuze vrede verzekerd. Ongelukkig genoeg heeft het merendeel van de bevolking geen werk en geen eten. De bevoorrading met graan of meel wordt van dag tot dag moeilijker. Regelmatig breken er overdag of ‘s nachts onlusten uit. Wanneer op 14 juli Marat vermoord wordt, veranderen de revolutionairen van Aigues-Mortes hun naam van patriotten in die van « Maratistes ». Op 28 frimaire (in de nieuwe maandaanduiding) nodigt het genootschap van de sans-culotten de burgers op om verraders aan te geven die samengezworen hebben tegen de vrijheid en de gelijkheid. Het comité van Toezicht zetelt onafgebroken om de beschuldigden te berechten. De geest van wraak krijgt de vrije loop en burgers die elkaar ook maar een kleinigheid te verwijten hebben, maken er gretig gebruik van. De terreur is aan de orde van de dag. Beschuldigingen zijn er in overvloed.
De verdachten, eens gearresteerd, worden na een kort verblijf in de Constancetoren overgebracht naar de gevangenis van de Capucijnen in Nîmes. De terechtstelling van Robespierre zet tenslotte een punt achter het regime van de Terreur.
In de achttiende eeuw beginnen de buitenwijken zich te ontwikkelen in de vorm van rieten cabanes, en deze uitbreiding heeft een leegloop van het stadscentrum tot gevolg. In deze periode daalt het aantal inwoners binnen de muren tot een minimum. De bevoorrading met drinkbaar water wordt verzekerd door de citernen van de Constancetoren, de Capucijnen, de Cordeliers, het hospitaal en het huis van de Koning, maar veel woningen beschikken over hun eigen waterput.
De periode na de Revolutie
Na de revolutie genoten de inwoners nog van een groot privilege. Ze benoemden elk jaar op 1 november vier consuls om de gemeentelijke zaken te behartigen. Deze magistraten traden in functie op de elfde van dezelfde maand, het feest van Sint-Maarten, patroon van de stad.De nieuw verkozenen benoemden op hun beurt een « clavaire » of schatmeester, riepen voor gemeentelijke beslissingen een politieke raad bijeen waarvan zij de leden kozen, riepen de militie op, benoemden de officieren die over de bezittingen van de inwoners waakten, bepaalden de lokale belastingen (zij hadden het recht om de goederen in beslag te nemen van al wie weigerde zijn belasting te betalen) en stelden aan de koning de consulaire agenten voor die belast waren om in de buitenlandse havens de belangen van de stad te verdedigen.
De consuls werden voor de duur van een jaar benoemd. Zij zwoeren trouw aan de koning bij hun indiensttreding. Principieel stelde het volk zich tevreden, zoals eertijds bij de Romeinen, om de verkozenen te bejubelen op de marktplaats, zonder hen echter te verkiezen. Spoedig gebeurde de verkiezing binnen de politieke raad, die een permanent karakter kreeg.
Tijdens de godsdienstoorlogen benoemde de gouverneur op eigen gezag de consuls. Wanneer uit welwillendheid toch eens de politieke raad een kandidaat mocht voordragen, droeg men er zorg voor om vooral een kandidaat naar voren te schuiven waarvan men wist dat hij in de smaak zou vallen bij de gouverneur.
Een arrest van het parlement van Toulouse uit 1765 regelt de aanstelling van consuls, die tot dan willekeurig verliep. Men verdeelde de maatschappij zodanig in klassen dat de belangen van iedereen vertegenwoordigd werden.
De eerste consul werd gekozen onder de officieren van justitie, edelen, dokters, advocaten, notabelen, en wachters van de zoutwinningen van Peccais.
De tweede consul werd gekozen onder de chirurgen, apothekers, de bourgeois van tweede orde en de belangijkste handelaars.
De derde consul werd gekozen uit de handelaars, opkopers, bakkers, slotenmakers, kleermakers en hoteliers.
De vierde uit de voermannen, vissers, arbeiders en werklieden.
Filips de Stoute behield voor zichzelf het recht over de politie van de stad. In feite oefenden de consuls dit recht uit. In 1633, toen een speciaal edict in Frankrijk politiekantoren creëerde, protesteerden de inwoners en verkregen het recht om hun oude privileges te behouden mits betaling van de som van 13000 ponden van Tours aan de staatskas.
Onder de regering van Lodewijk XIV verscheen er in augustus 1692 een ander edict dat burgemeesters voor het leven benoemde. In Aigues-Mortes werd Michel Jacquet burgemeester van de stad door betaling van 7700 pond. Meerdere steden in het zuiden, waaronder Aigues-Mortes, kochten dit ambt af. Wij weten bijvoorbeeld uit goede bron dat in 1777 de consuls werden aangeduid door de lieden die de stadszaken behartigden.






