De werklieden

Over merktekens van werklieden en ambachten met patroonheiligen.

 

In de Middeleeuwen was het de gewoonte om handelingen, en meer bepaald ambachten, onder de bescherming van een heilige te plaatsen. De metsers, die een driehoek als embleem hebben, symbool voor de Heilige Drievuldigheid, hebben een groot aantal heiligen als patroonheilige gekozen. De meest typerende schijnt Sint Thomas te zijn, die vaak afgebeeld wordt met een winkelhaak. Hij zou tijdens zijn omzwervingen in het Oosten als architect in dienst van een Indische koning geweest zijn. Men noemt ook de Heilige Blasius of Saint Etienne, omwille van zijn steniging, en zelfs de Heilige Lodewijk, bouwer van de Sainte-Chapelle. Voor de steenkappers waren het Sint Ambrosius of Sint Silvester, de bouwer-paus, die werden aangeroepen, naast de beschermheiligen van de metsers.


In de Languedoc zijn er talrijke genootschappen van ambachtslieden met een patroonheilige. Na 1250 krijgen zij een beroepsgebonden karakter. Het zijn groeperingen met een spiritueel en moreel karakter, gericht op het creëren van een solidariteit tussen de leden. Men mag ze echter niet verwarren met de broederschappen die als werken van devotie of liefdadigheid een meer politiek en religieus karakter hadden, eerder dan professionneel. Een gedetailleerde studie van de verschillende organisaties in de Middeleeuwse Languedoc toont aan dat vanaf de dertiende eeuw de beroepsgenootschappen in Narbonne, Béziers, Montpellier en Nîmes goed georganiseerd zijn, terwijl de steenkappers en metsers er weinig vertegenwoordigd zijn.


Het zijn vooral de beroepen in de voeding- en kledingsector die een zekere cohesie vertonen. De metsers worden amper vernoemd in de diocesale registers van Agde of Albi en in de activiteiten op de bouwwerf spelen de steenkappers de voornaamste rol.  Het zijn de steenkappers die vaak de rol van werfleider opnemen en het komt zelfs voor dat ze meerdere werven tegelijk leiden. Dit is ook het geval voor Eudes de Montreuil, architect van de koning, of Pierre d’Angicourt die achtereenvolgens steenkapper, metser en daarna hoofdarchitect van Karel van Anjou werd, die hij volgde tot in Napels. 

 

 

De merktekens van de werklieden


De bouwmeesters vormen een professioneel milieu dat door het geheim karakter van hun genootschappen moeilijk te doorgronden is. Aanwijzingen die ons kunnen helpen doordringen in deze gesloten wereld zijn voornamelijk de merktekens die voorkomen op een groot aantal bouwstenen van de vestingsmuur van Aigues-Mortes. Men heeft zich in de loop der tijd vele vragen gesteld over de oorsprong en betekenis van deze merktekens. Al haalt men redenen met een religieuze oorsprong aan, toch moet men er vooral kentekens in zien die toelaten om de maker van het werk te identificeren, die op deze manier de kwaliteit ervan garandeert.  Dit schijnt de belangrijkste betekenis te zijn die er aan te geven valt. Er zijn echter tal van bijkomende facetten die de moeite waard zijn om te belichten.


Het lijdt geen twijfel dat deze merktekens ooit een professionele of symbolische waarde hadden. Men weet dat ze van vader op zoon werden doorgegeven en dat ze bijdroegen tot het opstellen van een soort handelsmerken, wat toeliet dat de werklieden elkaar onderling herkenden aan de hand van de tekens die ons vandaag naïef of mysterieus voorkomen.


Men weet ook dat deze tekens toelieten om aan het eind van de dag het geleverde werk te tellen en zo een evenredig loon uit te betalen. Inderdaad gebruikte men bij mobiele of grote onoverzichtelijke werven zoals die van Aigues-Mortes dagloners die per geleverde prestatie betaald werden. De cité is een veel genoemd voorbeeld omwille van de vele merktekens die er te vinden zijn. Op vaste werven, zoals de grote kathedralen in het Noorden, waren de werkploegen meer in vaste dienst. De best gekende arbeiders werden per dag betaald en hadden minder redenen om hun stenen te merken. In Aigues-Mortes zouden de arbeiders voor het bouwen van de stadsmuur een loon van vier pond en tien sous per “canne” gekregen hebben. Een “canne” is ongeveer 1,92 meter.


Deze tekens doen het vermoeden ontstaan dat het professionele leven een gesloten wereldje was. Omdat deze tekens een geheime identificatiecode vormen die van werf naar werf werd doorgegeven, heeft men soms de neiging hierin de kenmerken van de vrijmetselarij te zien. Men beschouwt over het algemeen dat dit een organisatie is die in de achtiende eeuw in Engeland opdook. Het is anderzijds goed mogelijk dat vanaf de Middeleeuwen de beroepsgenootschappen een zodanige corporatische geest geschapen hebben die men als het vertrekpunt van de vrijmetselarij zou junnen beschouwen. Deze evolutie heeft in Engeland plaatsgevonden. Het lijkt erop dat hiervan geen middeleeuwse voorbeelden in het Middellandse Zeegebied te vinden zijn.


Vrijmetselaar : het zou een vergissing zijn om in dit verband de uitdrukking VRIJmetselaar te zien als een vorm van “zelfstandige”, met andere woorden een sociaal statuut. De uitdrukking zou van Engelse oorsprong zijn, en zou verband houden met de terminologie van de steengroeve-arbeiders die de stenen uit de rots halen. Men onderscheidde deze steengroeve-arbeiders van degenen die zachtere stenen bewerkten. De eersten noemde men de “hard hewers”, de anderen “freestone masons”. De “freestone masons” waren eerder beeldhouwers, terwijl de andere steenkappers waren. Door samentrekking van de woorden werd het “free mason”, wat vertaald werd als vrijmetser.