het Fort van Peccais

In de zeventiende eeuw zijn er in de streek vele forten gebouwd als verdediging tegen invallen maar eveneens om de goede inning van de belastingen te verzekeren die voortvloeiden uit de koninklijke privileges, meer bepaald het toezicht op de winning en het verhandelen van zout waaruit de winstgevende zoutbelasting (la gabelle) voortvloeide.


Van al deze forten, vroeger militaire posten van de koninklijke agenten van de zoutbelasting, resten enkel nog de ruïnes van het fort van Peccais (dat in het Provencaals als Peccaï wordt uitgesproken). Dit fort werd rond 1560 besteld door Mr. De Montmerency, hofmaarschalk van Frankrijk. Het werd gebouwd vanaf 1598, en bevindt zich op het kruispunt van het kanaal van Bourgidou en het kanaal van  « Peccais naar Sylvéréal ». In een streek die sinds 1560 ten prooi viel aan godsdienstige onrust verzekert het een permanente contrôle over de nabijgelegen zoutwinningen en de kanalen die voor het transport van het zout dienen.  


Het doet denken aan de vestingswerken van Vauban, maar deze dateren van veel later (1633-1707).


Vanaf 1569 valt het achtereenvolgens in handen van de calvinisten en van de koning tot aan de vrede van Alès in 1629. Weinig later wordt het gerestaureerd, en ondergaat weinig veranderingen gedurende de zeventiende eeuw. In de eerste helft van de volgende eeuw wordt de bestrating van het bouwwerk voltooid (primitief met aarde, deels overdekt en beschermd door een zeil). Het verval van het fort, in 1775 slechts bewaakt door een compagnie invaliden (Mareschal), gebeurt snel tot aan de deklassering van het gebouw na 1820.


Zijn strategische ligging ontgaat de Duitse troepen niet, die er tijdens de tweede wereldoorlog betonnen kazematten aanleggen.


De ingang bevond zich aan de zuidzijde, waar een houten brug over de slotgracht naar de dubbele poort leidde. Dit dispositief werd tussen 1716 en 1776 verder versterkt met een redan (een uitsprong) en gekanteelde verbinding. De poort vormde op het gelijkvloers een omkadering in de vorm van een harp met twee pilaren die een fronton op de bovenverdieping droegen. De drie nog bestaande bastions zijn verbonden door vestingsmuren die aan de noord- en oostzijde bewaard bleven, en slechts gedeeltelijk bewaard zijn aan de zuidzijde. Een borstwering bekroonde de muren van de bastions en de omwalling, waarvan de verschillen in bouwmateriaal getuigen van diverse verbouwingen. Een loopgracht die reeds bij het bezoek van de militaire ingenieur Mareschal in 1775 gedempt was, verbond de kelder van de zuidwestelijke toren met de schietkamers van het noordwestelijke bastion. Hier zijn de schietgaten nog zichtbaar.


De gebouwen die na 1716 vergroot en verbouwd werden, omvatten de vertrekken van de gouverneur, de luitenant van de koning en de kazerne. Dit zijn drie gebouwen van twee verdiepingen gebouwd in een U geopend op het noorden, rond een centrale koer. Hiervan resten alleen de grondvesten van enkele muren. De bijgebouwen (kapellen, citernen, ijskelders en magazijnen) vervolledigden dit geheel. Enkel de twee citernen met trapezoïdaal grondplan zijn bewaard gebleven.  


Als men de wallen beklimt, heeft men een vergezicht dat de de sombere sfeer doet vergeten die over deze plaats heerst. De eindeloze verbondenheid tussen water en land, de wegvliegende  flamingo’s of reigers en de zee die in de verte blinkt, alles herleidt de aanwezigheid van het fort tot een bijna ongepast historisch ongeluk op deze woeste plek.